De neiging tot vastleggen. De hardnekkige neiging vast te willen leggen, en te willen vertalen naar iets concreets en blijvends van aantoonbare waarde.

Elke gedachte die voorbij komt alvast voorgetheatraliseerd.

Elk beeld, elk moment, elke interactie voorverheven tot metafoor. Al voordat het echt gezien is. Had ik een pen gehad en wat papier, of een fototoestel, dan had ik de neiging onmogelijk kunnen onderdrukken.

Stop met maken, heel even.
Stop met vertalen. Met vastleggen.

Ik kijk naar kinderen. Heb verdriet omdat ook zij steeds minder ontkomen. Zij zijn prachtig. Zij beleven. Zij nemen doelloos waar. Als kind wilde ik gezien worden, nu voel ik me gezien en verlang ernaar te kunnen kijken zonder mezelf te zien.

Als kind wilde ik dat mijn mening gehoord werd. Nu wens ik minder te vinden. Minder te willen.

Stop met het vangen al die tijd. De geruststellende ontlading van dit ene moment verwondering zonder conclusie. Het was heel even. En toen weer weg. Je verschijnt en je verdwijnt. Daartussen zit vermoedelijk wat tijd.