Overal wonen mensen. Dit schreef Martin Bril al en daar moest ik aan denken toen ik in het venster stond. Het is verleidelijk om steeds naar de voorbijrijdende auto’s of fietsers te blijven kijken … Maar ik wilde focussen op de stad. De gebouwen, de kerken, de ramen, de pleintjes, de achtertuinen en de balkons. Het is een mooie, zachte avond. Ik ben zonder jas en het is lekker zo.

Ik tuur en tuur maar zie weinig mensen op balkons of in hun tuin. Een handjevol wandelaars en fietsers zijn er wel. Een clubje jongens voetbalt op het Energieplein. Ik hoor ze roepen. Verder hoor ik alleen de vogels en zacht geraas wanneer er een auto voorbijkomt. De natuur gaat door, zoveel is duidelijk. Ik zie de duiven en ganzen. De eerste wespen van de zomer zoemen langs het venster.

Overal wonen mensen. Hoe zou het met ze gaan? Wat voor mensen zijn het? Wat eten ze? Waar denken ze aan? De Noordendijk is voor mij zo bekend, ik woon er vlakbij. Dordrecht is waar ik leef & woon, en toch keek ik nu van een andere kant.

Ik zag de rijtjeshuizen, de flats, de kantoorgebouwen.

Ik zou willen aanbellen, zomaar ergens.

Wie bent u en wat vindt u er nou van?

Maar dat doe je dan niet zomaar.

Contact is fijn, zelfs als je goed alleen kunt zijn.

Dat is de mijmering die deze tijden bij me blijft rondspoken.

Overal wonen mensen. Iemand beneden doet het licht aan & gaat koken. De kinderen zijn ook naar huis. Ik ga ook.

We gaan allemaal naar huis. Thuis.