Ik stap om 7.15 uur het ‘hok’ van de waarnemer van Dordrecht in. Ik kijk meteen door het raam links, dat uitkijkt over het Energieplein. Mijn oog valt meteen op 1 witte polkadot van vogelpoep. ‘Dat is ook wat, dat dit mijn eerste waarneming is’, denk ik. Ik kijk door het raam en zie in de verte de glinsterende rookpluimen, de lucht erboven is mooi blauw. In een volstrekt egale blauwe lucht is er welgeteld 1 kort dapper streepje van een vliegtuig. De zonnestralen breken door achter de stalen sierstukken op de watertoren van Villa Augustus.

Ik verplaats me meer naar het andere raam, dat uitkijkt over de binnenstad. De eerste beweging die ik zie, is van een wandelaar in trainingspak. Op ooghoogte vliegen meeuwen voorbij. Ze bewegen vrij over de stad, ongehinderd door straatpatronen en huizenblokken. Wat leven wij dan een ‘ingeklonken’ leven.

De huizen ‘slapen’ nog. Een enkele rookpluim uit de huizen van aan de Noordendijk. De gedisciplineerde ritmische rechte lijnen van de huizenrijen erachter vallen me op. Ik krijg een associatie met concentratiekampen. Wat gek, waarom krijg ik die gedachte? Ik moet denken aan de Joden die tijdens WOII uit deze stad zijn afgevoerd. De stad is verder gegaan en er zijn nieuwe bewoners gekomen. In de straat herinneren stolpersteine aan de Joodse bewoners.

Er ontstaat meer beweging op straat. Ik hoor geluiden van dingen die ik niet zie. Een vrachtwagen die even over een brug rijdt? Ineens komt hij vanachter de bocht bij de Riedijkshaven in beeld. Wat gaat het geluid ver! Ik hoor vogels fluiten.

Ik loop weer naar het raam van het Energieplein. De zon is als een stuk hoger en verblindt me. Ineens zie ik ook een beduimelde vlek op het raam. ‘Daar blijf ik maar weer vandaan.’, denk ik. Beneden zie ik een man en vrouw stoppen. ze lopen richting het water. Het zijn nog zwarte silhouetten, een soort sprookjesfiguren. Hans en Grietje in een winterlandschap. Ineens maakt de man een bocht, van links en dan weer naar rechts. De vrouw loopt nu een paar meter achter hem. Ze verdwijnen achter het gebouwtje.

Weer naar het binnenstads-raam. Daar staat ineens mijn man met zijn camera. Hij probeert me tot allerlei interactie te bewegen. Wil hij nou dat een dansje opvoer? Ik schiet in de lach. Hij loopt van links naar rechts, als een stadsduifje.

Een vrouw met een sjaal om zwaait naar me. Als ze onder mijn voeten staat, zwaait ze nog eens. Het autoverkeer glijdt naar beneden, als waterdruppels van het raam. Het valt me op dat er nogal wat auto’s het niet zo nauw nemen met de middenlijn. Een joggende dame komt aangestapt, met haar hand in de zij. Als een model op de catwalk. Een vrouw op de fiets zwaait naar me. Ik zwaai naar iedereen terug. Een meisje laat haar hond uit, bij mij onder het raam geeft ze hem een snoepje. Een kat steekt snel over langs het zebrapad. De auto vertraagt. De zon staat steeds hoger.

Glinsteringen: de watertoren van Zwijndrecht, de Nieuwkerk en de Grote Kerk. Waar Jos en ik belijdenis hebben gedaan en waar onze kinderen zijn gedoopt. En glinstering op de bol van het rode gebouw op het Statenplein. Nog een dame die weer naar me zwaait. Een dame te voet met blauwe jas stopt, kijkt omhoog en zwaait. Even verderop stopt ze weer, draait zich om en maakt een foto. Ik zie het flitslampje van de telefoon. Vandaag ben ik 50 geworden.