Klamme handen. Best wel hoog. Zie ik net zoveel als de camera’s op het UWV-gebouw? Wat zijn het er veel. Ik voel me een voyeur, onzichtbaar spiekend van bovenaf. Dan wordt ik van bovenaf bekeken. Twee duiven draaien elk een kraaloog naar me. Ik voel me onderdeel van het voetbalspel van vijf jochies op het plein. De naam van het plein karaktiseert ze. Vermoeiend. Ze rennen naar het water, weer terug, naar binnen. Wachtende ouders in auto’s met ongeduldig knipperende lichten. Wachtend op hun mini-me’s met mini-instrumenten. Ik hoor stilte, gezoem, auto’s, een overwerkte poedel, lege flesjes terug in de krat. En toch is het stil op straat.