Ik heb een rol. Een taak. Waarnemer van Dordrecht. Die taak voelde ik de hele dag al, en zeker vanaf het moment dat ik thuis wegging, op weg naar Dordrecht (vanuit Rotterdam). Ik was heel benieuwd hoe de rol van de waarnemer voor mij zou zijn als ik eenmaal boven was en wat ik zou waarnemen. Wat ik waarneem: huizen, auto’s, gebouwen en zelfs de zonsondergang raakten mij niet. Mensen wel. Kleine figuurtjes, bijna allemaal door de regen onderweg naar een bestemming. Een paar joggers en mensen met een hond leken me niet in die categorie te vallen, die zijn buiten om een reden en minder om van A naar B te komen. Aan de kant die als achterkant zag, zag ik fietsers aankomen. Die fietsers reden zo goed als onder mij door. Als ik snel naar de ‘voorkant’ liep zag ik ze weer tevoorschijn komen. Dat stelde mij gerust: alles was goed gegaan in die paar seconden dat ik ze niet kon zien.

Hoe ik me voelde als waarnemer: dat wisselde per moment. Soms gaf het me een koninklijk of zelfs goddelijk gevoel. Mijn volkje. Alsof ik het was die deze mensen aanstuurde. Af en toe was het meer moederlijk: alsof ik waakte over deze figuurtjes – wel een machteloze moeder die niets zou kunnen doen als er iets gebeurde. Op momenten dat er iemand zwaaide was ik ineens een van hen, dat was heel prettig. Ik bedacht dat ik nergens onzichtbaar kon zijn in mijn ruimte. Behalve het prachtige overzicht dat ik had, konden mensen op de juiste plek mij overal zien. Dat keerde de rollen om. Vlak voor/tegen het glas staand werd dit heel extreem en voelde ik mij een raam-prostituee. Ik stelde me voor hoe het zou zijn als ik hier langer zou zijn. Vrijwillig of verplicht. Het zou ook een soort van gevangenis kunnen zijn. Ik vond het idee van een uur toen toch ineens geruststellend en dat ik maar hoefde te stampen en er zou iemand komen.

Dag stad, dag kleine mensjes. Ik ga naar beneden en ben dan weer 1 van jullie.