Het besef dat in al deze huisjes allemaal mensjes wonen komt al snel in me op. Het besef dat ik opeens alleen maar verkleinwoorden gebruik ook. De mensjes slapen nog. Er springt her en der een lichtje aan. Goeiemorgen.

De weg onder mij doet me denken aan een speelmat: de Dordrecht editie. Zo, een autootje van daar naar daar. En een autootje van daar naar daar. Leuk. Intussen slapen de mensjes door: veilig. Zo kan ik me weer bezighouden met de rest. Want zo voelt het: ik zorg nu voor jullie. Jullie, de mensjes. Die ‘mijn’ Dordrecht maken. Of zijn het de gebouwen? Nee, het zijn jullie. Of in ieder geval voor een groot deel. De gebouwen lijken vanaf hier niet zo mooi. Hoe later het wordt, hoe onrustiger het wordt. Op straat maar ook bij mij. Autootje van A naar B, autootje van B naar A, een kat die plots oversteekt. Oeh, dat ging maar net goed. Het gaat de hele tijd maar net goed. Ook als ik niet kijk. Toch? Ik realiseer me dat ik het hoop. Je gaat nu even weg. Even, en dat mag natuurlijk: het is een stad. Als je straks maar wel weer veilig terug komt. Want je hoort erbij.