Eerst de overweldiging van het uitzicht, toen viel mijn oog al snel op een enorme kraan die vanaf de Grote Kerk bewoog richting Groothoofd. Het duurde even voordat ik besefte dat het een schip op de rivier moest zijn. De kraan bewoog tussen de gebouwen door, over de daken, waterloos. Ik meende hem ook te horen. Eenmaal bij Groothoofd aangekomen, waar hij overigens helemaal bovenuit torende, verdween hij achter nieuwe flatgebouwen. Om daar even later rechts weer op te duiken en vervolgens definitief de stad te verlaten. Dit tafereel gaf me een welkom besef van de ligging van de stad en mijn positie op dat moment. Toen kwam de fase van gebouwen en plekken herkennen en toen ik eenmaal doorhad dat ‘dat’ het ING-gebouw moest zijn en dat ‘dat’ het Stadhuis en ‘oh, daar is het Statenplein dan’, begonnen her en der lichten aan te gaan. In eerste instantie tvanuit het verkeer, vervolgens vanuit gebouwen, lantaarnpalen gingen aan, de molen stond opeens op een verlicht voetstuk. Langzaamaan werd de zon vervangen. Daarmee werd de waarneming in de verte lastigers, ook door de verlichting in het ‘hok’ van de waarnemer en ging mijn aandacht steeds meer uit naar ‘micro’. Door de harde wind en regen knepen af en toe m’n kuitspieren toe (een teken van het mij niet onbekende fenomeen ‘hoogtevrees’) . In mijn micro-waarneming zag ik al snel een door de wind en regen geteisterde fietser met omgeklapte paraplu iets verder stoppen. Mijn lieve man die de waarnemer even kwam waarnemen. Even later viel mijn oog op een verlichte keuken waar ik een vader en zoon liefdevol met elkaar zag spelen en ‘zijn’. Onopgemerkt heb ik in dit mooie uur dit alles opgemerkt. Dank hiervoor!