De lucht boven de stad is grijs en oogt, ondanks de harde wind, bewegingsloos. De wind, we hebben haar Ellen genoemd, blijft dit hele uur nadrukkelijk aanwezig en maakt een geluid als in een onheilspellende piratenfilm rondom het houten staketsel van mijn uitkijkpost. Wat een rare gewaarwording is, is dat de vlaggen verraden dat de wind in mijn richting blaast, maar de speakers van de wind blazen achter mij vandaag. De meeuwen voor mij verwijzen naar de aanwezigheid van water. Ze vliegen in een onrustige vlucht met tientallen op en neer. Het gekrijs is niet te horen. Dat geldt ook voor het geluid dat de auto’s op de dijk onder mij zouden moeten maken. Alles wordt overstemd door Ellen.

De bocht naar links wordt hier standaard te krap genomen en de motorvoertuigen waaieren uit in de bocht naar rechts. Hun lichten gaan aan en het lijkt of zij achterna gezeten worden door de bezorgbrommers en bezorgfietsen met hun bakken achterop. Er zijn meer auto’s dan fietsers of voetgangers op dit uur in deze omstandigheden. De mensen lijken in 50 tinten grijs gekleed, maar er is geen spoor van erotiek te bekennen. Een tweetal dames blijft even staan en zwaaien naar boven. Ik neem mijn hoed voor hen af. De grijze menigte wordt een enkele keer onderbroken door een gekleurde overall. Carnaval is hier kennelijk een gekleurde overall. Een man in pandjesjas slingert op zijn snorfiets over het voetpad en raakt bijna de stoepranden.

Van verre waait de rood-wit-rode vlag van de Grote Kerk in mijn richting, maar zij is een te klein zeil om Onze Lieve Vrouwe in beweging te krijgen. De andere kerken en torens lijken nietig en staan op gepaste afstand van dit machtige bouwwerk. Ze hebben voornamelijk groene daken. In de verre verte meen ik in het grijs van de lucht wat hoogbouw te herkennen die als bewegingsloze mastodonten naar mij terugkijken. Iets dichterbij heeft de wind een stuk plastic of zeil te pakken gekregen en doet dit boven de huizen opwaaien. Het is alsog een zwart fantoom boven de daken danst, tussen de toplichten van de masten, kranen en gebouwen, die als vuurvliegen de eerste lichtgevers zijn (onderaan de stad zijn dat de koplampen van de af-en aanrijdende auto’s).

Naarmate het uur vordert, valt een aantal geluiden weg. De jongens op het plein achter mij zijn gestopt met voetballen en ik mis nu het geluid van de stuiterende bal of de schoten tegen het ijzeren hek. Met de bal in de hand zie ik een van hen voor mij de wijk inlopen. De wind lijkt zachter, maar als ik me goed concentreer, is die wel aanwezig en ben ik alleen aan het continue beuken tegen het hout van mijn cabine gewend geraakt. De bomen links van mij lieten in het begin van dit uur, tussen het bruin door, al een eerste zweem van groen zien, maar worden nu donkerbruin of grijs. In de laatste minuten van dit uur wordt het grijs van de lucht opvallend licht en lijkt de donkere stad neer te duwen, heel dicht tegen de aarde aan te drukken.