‘Dordrecht is toch mooi mensen.’, komt op een gegeven moment in mij op. ‘Anders zou het maar een dooie boel zijn.’ Mensen stromen af en aan over de dijk. Het liefst zie ik ze toch van voren op me aankomen. Een vrolijk wuivende vrouw kijkt omhoog en tovert een glimlach op mijn gezicht. Echt contact is magisch. Aan de andere kant verschuilt de zon zich nog achter een klein beetje bewolking. Die komt er straks wel bovenuit. Een meisje op een te grote fiets gaat op haar trappers staan om zichzelf dapper tegen de wind in voort te bewegen. In gedachten moedig ik haar aan.

Zonnepanelen op daken. Maar nog best weinig. Het geluid komt vooral van de machines: de auto’s en vrachtwagens.

Het valt mij op dat ik niet echt kijkt naar de mensen die binnen in het kantoor zitten. Alsof ze zich hebben opgesloten. Verheugd zie ik dat de zon boven de wolken is uitgekomen. Maar ze verblindt me en ik kan mijn stadsgenoten nauwelijks nog zien. Aan de andere kant kijk ik weer naar de stroom mensen. Of sta ik hier stiekem om gezien te worden? Ik grinnik om mijzelf.