Dat gevoel van “thuis” als je binnen komt – de geur van hout van de ruimte. Ik denk aan Marie Cholet. Het gevoel van er boven te hangen als aan de top van een oude eik. In gedachten vermoed ik de organisatie van deze in lengte gerekte ruimte om er lange uren door te brengen / kracht uit te putten. Een rustplaats, een hulpbron, hulpbronnen. Er oefent zich een sterkte polariteit uit van west naar oost, van de zon naar de maan, op deze dag. In het westen die omhullende warmte en de koelte in het oosten, er is het grensgebied van de lichtstralen.
Kijk, ik zie de verwarming, 20,5 C geeft hij aan. Ik voel hem niet. De zon is te krachtig vandaag. Beetje bij beetje raak ik gewend aan de ruimte en de “tijd” die deze voortbrengt. Ik hoor het metalen geklik van een voorwerp vlakbij de schuifdeur. Ik denk dat ik er tien minuten over deed om te begrijpen dat het houten stokken waren waar kinderen beneden op het speelterrein mee bezig waren. Ik vraag me af waarom ik dat geluid zo duidelijk hoor alsof het dichtbij is, en minder de voetbal die al minutenlang tegen de grond knalt. Een lange diagonale mars van roze en paarse mutsen… Ik glimlach. Een mars die niet op andere lijkt. Het danst. Het is grappig.

En die horizontale rode draden die de hemel doorsnijden en de grijze lianen die de hemel versperren en de fluorescentie van de boomtakken onder mijn voeten; dan weer wortels, dan weer algen. Dat speciale mosachtige groen. De maan lijkt dichter bij me te komen. Wow! Het is bijna intimiderend.

En dan draai ik me om. Het licht begint te minderen. Ik zie het op de grote witte boog die in de lucht hangt en ik besef precies op dat moment, dat gevoel heb ik tenminste, de tijd dat ik nog moet waken. De hemel wordt hier en daar verscheurt en laat zilveren en dan gouden draden verschijnen hier en daar tussen de zwarte vogels. Het licht versmelt in de wolkenmassa aan de horizon aan de top van de klokkentorens en de hoogste bomen van de stad. Als een kleur die in het water verdund wordt, wordt de kleur van de zon in de diepte van de hemel verdund, geeft zich zachtjes over en verliest zich in de horizon.

Als ik mijn hoofd omdraai zie ik even de maan niet meer. Het is een soort windmolentje geworden dat ik met plezier op z’n plaats in de hemel terug zou willen zetten. Of een miniatuur sneeuwlandschap, een kwarts met een grijs aureool. Aan mijn kuiten voel ik nu de stralingen van de warme radiator. Ik zie een schilderij. Ik zie de zee in de verte, daar, ver weg en de zon duikt er met genot in. Beetje bij beetje nemen de lichten van de stad het over. Ik zie niet meer de twee lichtstralen van mijn huis de diepte van het landschap doorkruisen. Nu zijn ze geruststellend, ik ontvang ze hartelijk. Ik voel het einde naderen. Ik kan het niet nalaten een paar keer heen en weer te lopen in dit verbazende toevluchtsoord. Mijn oogappel droogt op. Ik kom snel naar buiten.