Pas wanneer ik ben afgedaald vanuit het Venster en met m’n voeten op de begane grond sta, voel ik me verheven. Heel wakker, helder en fris, zoals na een duik in de zee (zo een waarvan je heel veel honger krijgt).

Velen gingen mij voor in het Venster op de Stad. Ik las belangstellend hun verhalen over de schoonheid van de stad, de gebouwen, mooie luchten en de op- of ondergaande zon.

Maar zo mooi was het vandaag niet. Bewolkt en grauw en de stad van boven maar een rommeltje. Fietsers weggedoken in hun jassen en capuchons. Tsja … een maandagochtend in januari, wie heeft daar zin in?

Maar gaandeweg vertrok ik en maak een wonderlijk reisje in mijn hoofd. Een tocht over onbegaanbare wegen, gangen en steegjes. Ik kwam terecht in onbekende oorden.

Ik word gewekt door een vrolijke fietser, die uitbundig zwaait … Mijn tijd is om. Ik zwaai nog even naar de stad vanuit die plek vanwaar ik haar niet vaker zal zien. ‘Ik kom eraan hoor!’ En ik begeef me weer onder de mensen. Met een frisse blik!