Ik klom naar boven om de stad te zien, recht voor mij de wieken van de molen. Beneden me twee fietsers op de Noordendijk. Een stel. De man zwaait naar boven. Ik, de waarnemer, ben waargenomen. Ik zwaai terug.

Achter het grote pand van Kunstmin was het hofje waar ik 45 jaar geleden kwam wonen en Dordtenaar werd. Het hofje, uit 1863, is lang geleden gesloopt. Ik ben altijd in deze omgeving blijven wonen; nu in de Vogelbuurt.

Het is een grijze dag. De wolken trekken van Krispijn naar Zwijndrecht en Papendrecht. Af en toe mag de zon zich laten zien. Soms neem ik alleen haar stralen waar.

Schijnbaar nutteloze gedachten komen bij mij op: hoe oud zou oma Kroon gisteren geworden zijn als ze … Antwoord: 113 jaar.

Het wordt de tijd dat de zon ondergaat, maar de lucht wordt juist lichter, nu de wolken wegtrekken. Wat is er veel veranderd sinds ik hier in 1975 ben komen wonen. Alsof ze panden slopen en nieuwe bouwen terwijl je met je ogen knippert.

Woorden zoeken. En ach, wat maakt het uit? Vanmorgen was hier een andere waarnemer en morgenochtend is er weer een nieuwe. Ik ben maar een tussenfiguur. Een tijdelijk type. Wie schreef het volgende ook alweer? Zo ging het, ongeveer: ‘Men spreekt eenmaal een woord. Het wordt eenmaal gehoord, en andermaal verstaan. Dan heeft men afgedaan.’