Mist. Die alles inpakt. Alleen de Noordendijk tot aan de molen bestaat. Glimmend asfalt. En… lichtjes van fietsers, voorlampen van auto’s. ’t Rijdt maar langs en onderlangs. ’n Ruis. Even de sirene van een brandweer. Een meeuw zweeft op ooghoogte voorbij en verdwijnt achter de molen in het zilvergrijze niets. Een vuilniswagen stopt. ’n Man worstelt met vuilniszakken. Die twee blauwe containers moeten leeg. Ja, het lukt. ’t Vuil verdwijnt in de laadbak. Alles verdwijnt, vluchtig en in een ritme. Twee fietsers stoppen. Twee meisjes. De een stapt af en friemelt aan de tas op de bagagedrager. Ja, die tas zit weer goed. Verder weer. Voorbijschuivende lichtpuntjes. Alsmaar door.

De andere kant. De ster van Kinepolis. ‘Midway’ en ‘Verrassing’ staat er op de affiches. Het windmolentje draait traag, vlakbij, op het dak. Alleen het kantoorgebouw, de masten. Nog niet: de watertoren. Alles is nog zo verhuld. ’n Vliegje schuift aan de binnenkant van het raam voorbij. Dat neemt anders waar. Een vrouw met een Sint-bernardshond. ’n Plas tegen de boom. Poot opgelicht. Verder weer. Mensen stappen ’t kantoorgebouw in. Met mappen. Tassen. Een vrouw met een klein hondje aan ’n lang koord schuift door de ruimte. Langzaam. Af en toe stilstaan. Er hoort een jongetje met een loopfietsje bij. Die heeft er lol in om over de asfaltbobbels tussen de masten te rijden. Langzaamaan verdwijnen hondje, vrouw en jongetje uit zicht. Herfstbladeren als vergeten notities onderaan. Een groet van een man vanuit een bestelauto. Hand omhoog.

Weer terug naar de molenkant. Het verkeer neemt af. Het zicht is iets beter. De huizen aan de Singel worden zichtbaar. Een kopje koffie op ’n verkeersbord. Een groep vogels zo voorbij.

Een klop op de deur. Het half uur is voorbij. Gaat het? Ja, het gaat goed. Ik denk nauwelijks. Ik zit in het waarnemen. Hoe alles beweegt en voorbij gaat en hoe de stad meer en meer tevoorschijn komt. En dat gaat steeds sneller. De schoorsteenpijp van de DMI. Meer huizen. Vaag. En met meer kleur.

Aan de andere kant: de vuurbal van de zon. Intens. Verblindend. Onverwacht. Ik zie de dauwdruppels op de spinnenwebdraadjes in het houtwerk vlakbij. Glinsterend.

Boven me: de blauwe hemel. Blauw. Condensstrepen. Ik volg een vliegtuig. Vier lijnen condens.

De molenkant. De Sanseveria – vrouwentongen – achter het raam van nummer 145. Zonnepanelen op de grinddaken. Een vrouw op een fiets, blond haar, ziet me, zwaait. Ik zwaai terug. Opeens gaat het heel snel: de stad komt tevoorschijn. De Grotekerk als een slapende reus. 9 uur, lees ik op de wijzerplaat. ’t Stadhuis. De Wilhelminakerk. Kunstmin. Het Merwesteynpark links. Groothoofd rechts. Steeds meer kleur. ’t Wordt een spel. De stad waar ik al een leven lang woon stroomt door mijn hoofd mijn lijf binnen. Bijna jubelend. Een ekster op een boomtop. En… eigenlijk is de stad een blokkendoos. Kleurig. En nu pas op ’t einde van ’t uur past het helemaal in me.

’t Voelt aan als een pelgrimstocht.

Ik heb ’n klein beetje de verte dichterbij gekeken en de stad zo afgelezen.

Mijn vulpen vindt het genoeg geweest.

Alles wat ik schreef: ’n voorlopige aanduiding van iets dat me haarscherp bij zal blijven.

‘Wat blijft komt nooit terug.’ (J. Eykelboom)