De stad draait met de staart van achter mee naar het licht. Wat wij dag noemen. Hetzelfde woord dat wij gebruiken om afscheid van elkaar te nemen. Waar waar te nemen bedacht was, is slechts matglas. Voor mij ontelbare druppels condens, een scherm naar een andere beleving. Buiten is de herfst vermengd met de komst van de winter. De daken zijn wit. Ik zal me af blijven vragen waarom sommige schoorstenen roken en andere niet. Nu zijn voornamelijk op deze letterlijke zondag, vogels wakker. De kauwtjes en kraaien hebben iets met het energieplein. Een groep puttertjes kwettert voorbij. Eksters kwetteren elders. De eerste wandelaars zijn of mensen met honden of mensen die rennen zonder haast. Eerst is de zon te zien in de reflectie van de ramen als koperschijn. Het licht is door de ochtendnevel gezeefd. Bomen verdwijnen tegen het licht in, als kanten silhouetten. Waar wachten, waarnemers, vroeger de rol hadden onraad tijdig op te merken, valt de onraad die in al zijn vormen, op alle niveaus voor de burgers van deze stad gevaar op kan leveren, niet meer vanaf een hoge plaats te zien.