Mijn rechterzak was leeg en het automatisme om mijn waarnemen te onderbrekenwas aanwezig. Vanuit twee optieken kijken naar mijn geliefde stad. Ik had verwacht meer mensen te kunnen zien. Wat me in plaats daarvan opviel was de reikwijdte van het uitzicht. Ik on kijken naar de Erasmusbrug, de Grote Kerk als prominent baken en waarnemer van de stad, en dat reeds vele eeuwen. De verschillen tussen gebouwen viel me op. Sommige oud, sommige modern, sommige tijdloos grauw. Een schilder van Hollandse luchten kon zijn hart op met de gouden zonnewolken. Villa Augustus viel als een soort Hof van Eden op, een rijke groenpracht. Op andere plekken her en der door de stad, tussen de gebouwen, verrezen bomen, hoog, groot en kleurrijk. Met het vallen van de avond begon me de betrekkelijke afwezigheid van verlichting op te vallen. De avond werd roder, grijzer, fel verlicht en daarna alsmaar grijzer. Aan de kant van het Energieplein waren het spelende kinderen die voor welkome beweging zorgden. Behalve een fel motorgeluid was de kabbelende ruis van de stad een prettige achtergrond. Staande in een houten doos kwam de prettige geur van hout op mij af. Met het vorderen van de tijd nam de beweging van de stad toe. Er begon me meer en meer op te vallen; Verborgen, verlichte pleintjes, huizenpracht, natuurschoon… Het uur was om, mijn waarneming stopt niet.