Ik had me voorgenomen toen ik de trap opliep mij op de stad te concentreren. Die is groter dan ik had gedacht. De torens van Zuid naast het Groothoofd waarvan de piek ontbreekt. Toch was het moeilijk om de stad te blijven zien. Individuen op fietsen trokken de aandacht. Sommigen zwaaien. Ik sta zo hoog dat het niet moeilijk is om voor te stellen een beeld te zijn, maar aan de andere kant kan die niet terugzwaaien. Toen ik over de Noordendijk in de richting van de sluis keek kwam er een roek recht op mij aangevlogen. Op het laatste ogenblik zwenkte hij weg. Daarna had die kijkrichting een andere inhoud gekregen. Meetbare ruimte. Met het donkerder worden zag ik twee verticale lijnen in de stad, witte lijnen tegen een in contrast afnemend donker decor. Eigenlijk verpestte die het uitzicht. Je wilt zo min mogelijk invloed hebben op wat je ziet, niet waarnemen van jezelf laat staan de verlichting van het huisje voor het waarnemen.