Wanneer ik boven kom ruik ik de geur van onbewerkt triplex. Het ruikt nieuw. Ik loop naar het westen en constateer dat de zon niet te zien is. Ik zie licht door de wolken en denk dat de zon daar zit. Pas later wanneer het donkerder is en het licht nog steeds op diezelfde plek zit, besef ik dat het licht is dat op de onderkant van de wolken schijnt. Als ik kijk zie ik eerst de horizon, die verpest wordt door dat afschuwelijk grote afzichtelijke gebouw dat mij het zicht wegneemt op rivier. Daarnaast zie ik voor het eerst dat je ook naar Rotterdam kunt kijken vanaf het dak. De enige keer dat ik dat ooit eerder zag was vanaf de Grote Kerk op meer dan 60 meter hoogte. Ik kan van hier kijken naar het centrum van Rotterdam. Het zijn slechts silhouetten, maar toch. Dan verken ik de horizon verder. Ik zie de punten die opvallen zoals het Groot Hoofd, het oude Bibelot, de Grote kerk en vooral de spoorlift. Mooi ding….

Ik verbind de punten en geef alles een plaats op de kaart in mijn hoofd. Dan kijk ik langzaam meer naar beneden. Ik zie veel bomen (meer dan ik had verwacht), huizen, oude en nieuwe en eigenlijk te veel grote nieuwe gebouwen. Langzaam zie ik meer details; auto’s, fietsers, voetgangers. Ik kijk wat ze doen, waar ze naartoe gaan. Ze zien mij niet. Ik zie (hijs)kranen. Zij symboliseren de verandering van de stad. Wanneer ik naar de andere kant loop, kijk ik ook daar eerst naar de horizon. Een stuk minder interessant dan het westen, maar toch boeiend genoeg. Ik zie de brug naar Papendrecht en later zie ik ook het verkeer dat er overheen raast. Ik zie de kranen aan de horizon. Hier het symbool van noeste arbeid en staal- en scheepsbouw. Ik hou van Villa Augustus. Ik zie de (geheime) maker waar ik ooit een nacht mocht doorbrengen, een glimp van het terras en de mooie toren. Jammer dat het uitzicht verpest wordt door dat lelijke nieuwe gebouw erachter. Doordoor verdwijnt het silhouet van de toren.

Wanneer ik weer naar het westen kijk zie ik meer details. Daar woont een voor mij bekende familie en toevallig komt de zoon naar buiten. Hij is net zo oud als mijn zoon. Hij wordt opgehaald door twee vrienden. Ik weet dat ze gaan voetballen. Hij steekt een sigaret op (jammer zo jong). Zou mijn zoon dat ook doen als ik er niet ben? Nee, ik denk het niet. De andere jongens ken ik ook en ook zij roken.

Op het oosten komen 6 kleine kinderen aangelopen met een hele grote hond. Ze laten de hond los en gaan spelen op de bultjes langs het speelveld en op de blokken bij de fontein. De kleinste heeft een gebroken arm en al snel wordt duidelijk waarom. Zij springt enthousiast en handig over de blokken. Welke gebroken arm?

Ik zie steeds meer details. De gele glasbak, de blauwe dixie, de gele graafmachine, de oranje ring van de basket. Ik zie een meisje met een blauw rokje naar de achterkant van het Energiehuis fietsen. Wanneer ik weer aan de andere kant ben loopt ze zonder fiets aan de overkant van de straat richting de stad. De fiets staat waarschijnlijk in de fietsenstalling. Een man steekt over naar het café op de hoek. Hij loopt het café voorbij. Ik denk dat het de snackbar wordt, maar dat kan ik niet zien.

Het wordt langzaam donker. Rotterdam verdwijnt, maar er komen lichten voor terug aan de horizon. Eén oranje licht in Rotterdam. 6 felle lichten boven Zwijndrecht en een knipperend licht op een mast. Net naast de Grote Kerk verschijnen twee lichten die me intrigeren. Wat is dat? Ik vermoed het licht bij een brug. Ik blijf kijken en er komt een rij wit licht naast. Samen vormen ze een rechthoek van licht en later komt er ook nog een blauw licht bij! Waarschijnlijk een groot reclamebord. Ik heb geen flauw idee en besluit later uit te zoeken wat het is.

De auto’s worden langzaam onzichtbaar. Ik zie alleen de lichten die op me afkomen. Het valt op dat steeds meer mensen omhoog kijken en zwaaien. Wellicht weten ze wat ik hier doe.  Een enkele keer reageer ik voorzichtig op een groet. De man waarvan ik dacht dat hij naar de snackbar liep komt terug met een wit plastic zakje zwaaiend (met patat) in de hand. Dat had ik goed ingeschat. Dan hoor ik iemand de trap opkomen. Het uur als waarnemer van Dordt is voorbij. Ik besef dat ik net zelf de grootste bezienswaardigheid was van Dordt. In de schemering, hoog op het dak, in het volle licht waar iedereen mij kon zien.

John Peters