De spin aast op de wesp achter het glas. Terwijl ik met mijn ogen me al in zijn web bevind. Het web dat dient als een knijpkat die steeds weer wordt aangezwengeld.

Door het rode licht dat tussen de groene bomen als een stoplicht fungeert.

Eenmaal aan het blauwbesmeerde plafond aangekomen. Is het de stad die aan springt wanneer de zon tussen de wolken op oranje springt.

En dus het verkeer van het leven er mee door mag gaan. Het gluurt aan mijn voeten, waar de eerste mannen al door hun hond worden uitgelaten.

Waar de auto’s het liefst nog alles in het midden laten al rijdend op de al uitgestippelde weg.

In een oogwenk worden de mensen hier ontkoppeld van de schaduw die de nacht ze cadeau deed, zodat ze deze weer achter zich kunnen laten.

En tijdens deze bevrijding lijken nu ook de flatgebouwen tussen de glinsterende oudheid van de stad van betere huizen te komen. Het water staat al te spetteren om straks in zijn hoopvolle endenvijver. 

Straks toch nog iemand in de boot te kunnen nemen. 
Terwijl er bruggen als hangjongeren boven hangen en zich alleen openen als ze alles aan zich voorbij kunnen laten gaan. Terwijl de vogels nu al liever met de eer neerstrijken. maar dat liever in de lucht laten hangen. 

Een vrouw in het blauw zwaait
Als een opklaring tussen zo’n grote vuurbol.
Terwijl ik mijn cocon voel breken. 
Het web was mij te machtig
De stad heeft mij ingeslikt
Die wesp achter het glas
Heeft mij toch nog geprikt

Jaime Quant