Een kijkdoos.
Waarbij de vraag is of ik degene ben die door het venster, het kijkgaatje naar de opstelling kijk of juist degene ben die in de kijkdoos staat.

Rijden deze auto’s hier iedere ochtend? De zwaaiende fietser, zwaait hij iedere dag? Wuift hij ook met zijn hand als degene boven niet naar hem kijkt?
Zwaait hij ook naar andere mensen die fietsen op zijn route? Zou deze installatie op de Noordendijk hier iets veranderd hebben?

De kijkrichtingen van de kijkdoos staan vast.
Het licht dat naar binnen valt verandert, verschuift gedurende het uur, net zoals de kleur van het licht.
De weerspiegeling van mezelf wordt scherper.
Een, twee stappen naar achter en ik zie wat achter me gaande is ook in de ruit terug.
Hoe ver kan ik achteruit lopen voor ik mezelf buiten de situatie plaats. Was ik überhaupt onderdeel van de situatie? En word ik meer of minder onderdeel van de situatie door voor- of achteruit een paar passen te doen? Over het onbewerkte hout, langs de potloodlijnen voor de schroeven, het schelle licht halverwege, de verwarring, op 18⁰C, achteruit tot ik de zon niet alleen een schaduw zie maken met het kader, maar ik ook mezelf op de muur terug zie.

Katrien Ligt