Als ik binnen stap en de deur achter me sluit, is het eerste dat mij opvalt de verlichting in de wanden. Omdat het buiten nog schemert zie ik de reflectie van die lichtstrepen in het glas.
Daardoor voel ik vooral in een kamer en niet er buiten. Die realisering van het binnen zijn wordt nog sterker door de balkenconstructie aan de buitenkant van het glas die de breedte van het blikveld beperkt.  En ook door het zoemgeluid van een luchtverversingssysteem in de buurt. Ik sta niet boven of buiten een stad, ik sta er in mijn eigen kamer middenin.

De keuze van de verlichting heeft vermoedelijk te maken met het gezien worden: je bent niet alleen een toeschouwer van een schouwspel, je bent zelf ook een schouwspel voor mogelijke toeschouwers. De binnenverlichting toont je als een beeld aan de buitenwereld.
Alles is grijs in verschillende kleurloze tinten. Ik zie de eerste zonnestralen tussen de wolken links van de Papendrechtse brug.
Ik bedenk me dat de zon eerder opkomt boven de wolken, omdat het daar hoger is.
De zon komt niet op in het oosten, maar in het noordoosten. Niet recht tegenover het raam, maar links van het midden.

Kleuren, banen licht en beweging, Soms breekt er even iets open, maar de zon is hier nog vooral een voorstelling waar je van een afstand naar kijkt.
Ik en alles om mij heen blijft van een andere kleur, grijs, het licht is nog steeds diffuus, schaduwloos.

Een kraai zit op de daklijst van de Energiecentrale. Soms kraait hij. Zijn bewegingen zien er uit alsof hij het geluid op boert. Ik probeer te begrijpen waarnaar hij kijkt, maar zie niets opvallends.
Er komt meer blauw tussen de wolken, het verschil tussen boven en beneden wordt nu minder. De zon is zijn hoofdrol kwijt, de dag is echt begonnen.

Een uur blijkt precies genoeg, niet te kort en niet te lang. Als er sprake was van een voorstelling dan is die nu voorbij.

Frans van Lent